Bij het ontwerpen van een koelinstallatie is de eerste vraag altijd hetzelfde: hoeveel koelvermogen is er werkelijk nodig? Een koellastberekening geeft daar een onderbouwd antwoord op, per ruimte en voor het gehele gebouw.
Wat is een koellastberekening
Een koellastberekening bepaalt het maximale koelvermogen dat nodig is om een ruimte op een vastgesteld temperatuurniveau te houden tijdens de warmste periode van het jaar. De berekening houdt rekening met interne warmtelast, afkomstig van personen, verlichting en apparatuur, en externe warmtelast, afkomstig van zoninstraling door glas, transmissie door de gebouwschil en infiltratie.
Het resultaat is een koelvermogen in watt per ruimte en voor het gebouw als geheel. Dat vermogen is de basis voor meerdere beslissingen: de keuze van de koudeopwekker (warmtepomp of koelmachine), de keuze van de afgifteapparaten per ruimte (fancoil-units, inductie-units, split-units of vloerkoeling), en de leidingnetberekening waarmee de juiste instelstanden van de inregelventielen worden bepaald.
Voelbare en latente koellast
Een koellastberekening splitst het resultaat in twee delen. De voelbare koellast is de warmte die de luchttemperatuur laat stijgen. De latente koellast is de energie die nodig is om vocht uit de lucht te onttrekken, afkomstig van personen en van buitenlucht. In woningbouw is het latente aandeel doorgaans klein ten opzichte van het voelbare deel, in ruimten met veel personen of een hoge vochtproductie loopt dat aandeel op. Beide waarden worden per ruimte gerapporteerd.
Waarom dit ertoe doet: vloerkoeling levert in de praktijk maximaal 20 tot 25 W/m². Een ruimte met veel glas vraagt al snel 40 tot 100 W/m². Zonder berekening blijkt pas na oplevering dat de vloerkoeling het simpelweg niet kan bijbenen. Wordt dat vooraf vastgesteld, dan kan er aanvullend worden gekoeld met bijvoorbeeld convectoren in juist die ruimten waar het nodig is.
Voelbare en latente koellast: waar wordt ontvochtigd
Koelvermogen bestaat uit twee delen. Voelbare koeling verlaagt de luchttemperatuur; latente koeling onttrekt vocht aan de lucht, en dat kost extra vermogen. Welk afgiftesysteem welk deel levert, bepaalt mede het benodigde vermogen per component.
Klimaatplafonds en vloerkoeling leveren uitsluitend voelbare koeling: ze hebben geen condensafvoer en moeten juist boven het dauwpunt blijven om condensvorming te voorkomen. De koelbatterij van de luchtbehandelingskast kan wél ontvochtigen en levert dus voelbare en latente koeling samen. In een concept met klimaatplafonds ligt de volledige ontvochtiging daarmee bij de luchtbehandeling, en dat werkt door in het batterijvermogen en de gewenste inblaastemperatuur.
Om diezelfde reden verdient het vochtuitgangspunt van de buitenlucht aandacht. De latente last van de luchtbehandeling hangt direct af van het aangenomen vochtgehalte, en het verschil tussen een krappe en een ruime aanname loopt bij grotere luchthoeveelheden op tot tientallen kilowatts. Leg daarom vast met welk vochtgehalte wordt gerekend, en of dat past bij het huidige klimaat.
Let op bij de inblaastemperatuur: lager inblazen verlaagt het totale koelvermogen niet, het verschuift de last. Bij een lagere inblaastemperatuur doet de koelbatterij meer en hoeven de plafonds minder te doen; het totaal blijft vrijwel gelijk. Houd er bovendien rekening mee dat de regeling in de praktijk vaak naar een lagere inblaastemperatuur stuurt dan het ontwerp aangeeft, juist om voldoende te kunnen ontvochtigen. Een koelbatterij die alleen op de ontwerpwaarde is gedimensioneerd, komt dan tekort.
Wanneer heeft u een koellastberekening nodig
- Bij nieuwbouw met mechanische koeling, zowel woningbouw als utiliteit
- Bij renovatie waarbij een koelinstallatie wordt toegevoegd aan een bestaand gebouw
- Bij vervanging van een bestaande installatie waarvan het huidige vermogen niet bekend of niet onderbouwd is
- Als technische onderbouwing van de gekozen dimensionering richting opdrachtgever, aannemer of gemeente
Grote glasoppervlakken, veel interne warmtelast of een zuidwest- tot westgerichte oriëntatie zijn signalen dat koeling en dus een koellastberekening relevant worden, ook bij woningbouw.
Hoe verloopt het proces
- AanleverenPlattegronden met de gevelopbouw, glasoppervlakken en oriëntatie. Beschikt u over een BENG-berekening, dan volstaan bouwtekeningen plus die berekening doorgaans al, omdat de constructiegegevens daarin zijn opgenomen.
- ModellerenOpbouw van een volledig 3D-model in Vabi Elements, ruimte voor ruimte, met de oriëntatie en glasoppervlakken per gevel.
- BerekenenBepaling van de koellast per ruimte en voor het gehele gebouw, op basis van het gekozen klimaatscenario.
- OpleverenEen rapport met de resultaten per ruimte, normenconform en direct bruikbaar voor de installateur.
Omdat warmteverlies, koellast en gebouwsimulatie in Vabi Elements op hetzelfde 3D-model zijn gebaseerd, blijft de samenhang tussen de berekeningen inzichtelijk als een project meerdere berekeningen vraagt.
Koellastberekening en de BENG-oververhittingseis
Een groot deel van de vraag naar koellastberekeningen komt tegenwoordig niet van comfortwensen, maar van de BENG-berekening zelf. Bij nieuwbouw toetst de EP-adviseur het risico op oververhitting via de TOjuli-indicator, onderdeel van NTA 8800. Tot 1 juli 2024 was het simpelweg hebben van actieve koeling voldoende om aan die eis te voldoen. Sinds de update van NTA 8800:2024 is dat niet meer zo.
Heeft een gebouw actieve koeling, dan geldt de vrijstelling alleen nog als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- De TOjuli-waarde voldoet op zichzelf al aan de eis van 1,2
- De verhouding tussen glasoppervlak en gebruiksoppervlak is kleiner dan of gelijk aan 0,20
- Minimaal 95% van de gevelopeningen, met uitzondering van de noordoriëntatie, is beschermd tegen zontoetreding via buitenzonwering, zonwerend glas met een g-waarde van 0,4 of lager, of voldoende beschaduwing
Voldoet een project aan geen van deze voorwaarden, dan moet worden aangetoond dat de koelinstallatie voldoende capaciteit heeft. Dat kan op drie manieren: een dynamische koellastberekening, een GTO-berekening, of de vereenvoudigde rekentool uit bijlage AA van NTA 8800.
Die laatste optie oogt aantrekkelijk omdat er geen specialistische software voor nodig is, maar de methode is bewust conservatief. Bijlage AA rekent met vaste, forfaitaire correctiefactoren en toont alleen aan dat aan de eis is voldaan, het is geen ontwerpbasis voor de installatie. Een lage of zelfs nul-uitkomst betekent niet dat er geen koeling nodig is, alleen dat er geen aanvullende eis aan de capaciteit wordt gesteld. Voor de daadwerkelijke dimensionering, wat de installateur nodig heeft om het juiste vermogen te plaatsen, blijft een dynamische koellastberekening de basis. Bovendien bleek bijlage AA in de oorspronkelijke versie van NTA 8800:2024 te rekenen met de maandgemiddelde zoninstraling in plaats van de zoninstraling op het maatgevende moment, waardoor de benodigde capaciteit te laag werd berekend. De tool is daarom in 2025 herzien, en sinds 1 juli 2025 is die herziene versie de aangewezen methode.
Wij leveren de dynamische koellastberekening die als onderbouwing dient bij deze eis, aansluitend op wat de EP-adviseur voor het BENG-dossier nodig heeft. Voor de volledige uitleg van de TOjuli- en GTO-systematiek, inclusief de situatie zonder actieve koeling, zie ons artikel over TOjuli en GTO.
Grenzen van een koellastberekening
Een koellastberekening is een statische berekening: ze bepaalt het vermogen op één vastgesteld, conservatief ontwerpmoment. Dat is precies wat nodig is om afgifte en leidingnet per ruimte te dimensioneren, maar het is ook de beperking: de uitkomst is een piekgetal, zonder inzicht in hoe vaak dat piekvermogen daadwerkelijk voorkomt.
Voor de definitieve dimensionering van een opwekker geeft een TO-berekening een preciezer beeld, via een jaarbelastingduurkromme die laat zien wat er over het hele jaar werkelijk nodig is. In de praktijk vullen beide berekeningen elkaar aan. De koellastberekening bepaalt het maximale vermogen per ruimte en is daarmee de basis voor de keuze van de afgifteapparatuur, de leidingdimensionering en het inregelen van de installatie. De TO-berekening voegt daar de gelijktijdigheid en de jaarbelastingduurkromme aan toe, voor de dimensionering van de opwekker en voor vraagstukken rond oververhitting zonder koeling.
Normen en methodiek
De koellastberekening wordt uitgevoerd conform NEN 5067, met klimaatdata uit NEN 5060. Het gebouw wordt volledig in 3D gemodelleerd in Vabi Elements, zodat beschaduwing, oriëntatie en glaspercentages nauwkeurig worden meegenomen in plaats van forfaitair te worden ingeschat.
Norm
NEN 5067
Veelgestelde vragen
Wij werken niet met standaardprijzen, elke opdracht verschilt in omvang en complexiteit. Deel uw projectgegevens en u ontvangt binnen 48 uur een vaste offerte op maat.
Nee, het verschuift de last. Bij een lagere inblaastemperatuur levert de koelbatterij van de luchtbehandeling meer koeling en hoeven de afgiftesystemen in de ruimten minder te doen; het totale koelvermogen blijft vrijwel gelijk. Let er wel op dat de regeling in de praktijk vaak naar een lagere inblaastemperatuur stuurt dan het ontwerp aangeeft, om voldoende te kunnen ontvochtigen. Dimensioneer de koelbatterij daarop.
Dat hangt af van de ruimte. Vloerkoeling levert maximaal circa 20 tot 25 W/m², terwijl ruimten met veel glas 40 tot 100 W/m² kunnen vragen. Voor slaapkamers en ruimten met beperkt glas is vloerkoeling doorgaans toereikend, voor een woonkamer met een grote pui vaak niet. De berekening maakt per ruimte zichtbaar waar aanvullende afgifte nodig is.
Een koellastberekening is stationair: ze rekent één ontwerpmoment door en laat de invloed van de klimaatinstallatie buiten beschouwing. Een TO-berekening is dynamisch en simuleert het volledige jaar, inclusief de werking van de installatie. De twee zijn complementair: de koellastberekening laat zien welke ruimten kritisch zijn, de TO-berekening bepaalt het optimale vermogen.
Een koellastberekening is niet standaard wettelijk verplicht, maar wordt vaak gevraagd door opdrachtgevers, aannemers of gemeenten als onderbouwing van de gekozen dimensionering, of als voorwaarde bij vergunningverlening.
Een warmteverliesberekening bepaalt het benodigde verwarmingsvermogen in de winter. Een koellastberekening bepaalt het benodigde koelvermogen in de zomer. Beide zijn losse berekeningen, maar worden vaak samen uitgevoerd voor hetzelfde gebouw.