Moderne gebouwen zijn zo luchtdicht gebouwd dat er zonder mechanische ventilatie simpelweg te weinig verse lucht binnenkomt. De ventilatieberekening legt vast hoeveel lucht elke ruimte nodig heeft en hoe die wordt toe- en afgevoerd. Zonder die onderbouwing wordt een omgevingsvergunning niet verleend.
Wat is een ventilatieberekening
Een ventilatieberekening bepaalt per ruimte hoeveel lucht moet worden toegevoerd en afgevoerd, uitgedrukt in kubieke decimeter per seconde (dm³/s). De berekening legt vast waar mechanische afvoer verplicht is, hoe de lucht tussen ruimten overstroomt, en of toevoer en afvoer in balans zijn.
De bepalingsmethode staat in NEN 1087, waarnaar het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) verwijst. Voor bestaande bouw geldt NEN 8087, met lagere eisen.
Wanneer is een ventilatieberekening verplicht
- Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw
- Bij verbouwingen waarbij nieuwe verblijfsruimten ontstaan, bijvoorbeeld een aanbouw, dakopbouw of het splitsen van een pand
- Bij functiewijziging, wanneer een gebouw een andere gebruiksfunctie krijgt met zwaardere eisen
De gemeente toetst met de berekening of het gebouw voldoet aan de minimale eisen voor luchtverversing. Voldoet de berekening niet, dan volgt geen vergunning en moet het ontwerp worden aangepast.
De Bbl-eisen voor woningbouw
Voor nieuwbouw woonfuncties gelden de volgende minimale capaciteiten, te bepalen volgens NEN 1087.
- Verblijfsgebied: 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm³/s
- Verblijfsruimte: 0,7 dm³/s per m² vloeroppervlakte, met een minimum van 7 dm³/s
- Opstelplaats kooktoestel: minimaal 21 dm³/s (artikel 4.122 lid 3), naast de bovenstaande oppervlakte-eisen, waarbij de zwaarste telt
- Badruimte: minimaal 14 dm³/s
- Toiletruimte: minimaal 7 dm³/s. Is een ruimte zowel toilet als badruimte, dan geldt de zwaarste eis van 14 dm³/s
- Stallingsruimte voor motorvoertuigen: 3 dm³/s per m², niet afsluitbaar
Let op dat de eis voor verblijfsgebied en die voor verblijfsruimte naast elkaar gelden. Het is dus niet voldoende om alleen de som onderaan de tabel te controleren: elke afzonderlijke ruimte moet op zichzelf voldoen.
Afvoer bij een kooktoestel
Naast de capaciteitseis geldt voor een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel een aparte eis aan de afvoer: minimaal 21 dm³/s moet rechtstreeks naar buiten worden afgevoerd, en dus niet via een andere ruimte (artikel 4.128 lid 5). In de praktijk is dat de hoeveelheid die een afzuigkap afvoert.
Twee nuances die in de praktijk regelmatig tot verwarring leiden. Een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt is uitdrukkelijk toegestaan, dus afvoer via kanalen naar buiten voldoet aan deze eis. En de eis geldt alleen voor die eerste 21 dm³/s: het deel van de capaciteit dat daarboven uitkomt mag wel via een andere ruimte worden afgevoerd, zolang dat geen ruimte is waar alle toevoerlucht rechtstreeks van buiten moet komen.
Wettelijk minimum is geen ontwerpwaarde: de genoemde capaciteiten zijn ondergrenzen, afgestemd op wat gezondheidkundig nog aanvaardbaar is. In de ontwerppraktijk wordt voor verblijfsruimten vaak met hogere waarden gerekend, omdat het wettelijke minimum niet hetzelfde is als comfortabel. Wat passend is, hangt af van gebruik en ambitieniveau van het project.
De 70%-regel bij centrale voorzieningen
Bedient één centrale ventilatievoorziening meerdere verblijfsgebieden, dan geldt een aanvullende regel (artikel 4.122 lid 4). De totale capaciteit moet dan aan twee voorwaarden tegelijk voldoen: ze is minimaal gelijk aan de eis van het zwaarste afzonderlijke verblijfsgebied, en minimaal 70% van de optelsom van alle aangesloten verblijfsgebieden. De gedachte erachter is dat niet alle ruimten tegelijk maximaal worden gebruikt.
Deze regel is aangestuurd voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie die niet in een logiesgebouw ligt. Voor de overige gebruiksfuncties geldt hij niet.
Een rekenvoorbeeld. Een woning met één ventilatie-unit die twee verblijfsgebieden bedient:
- Verblijfsgebied 1, woonkamer met open keuken, 50 m²: 0,9 × 50 = 45 dm³/s
- Verblijfsgebied 2, slaapkamers, 40 m²: 0,9 × 40 = 36 dm³/s
De optelsom is 81 dm³/s. Daarvan is 70% gelijk aan 56,7 dm³/s. Het zwaarste afzonderlijke verblijfsgebied vraagt 45 dm³/s. De hoogste van die twee waarden is bepalend, dus de unit moet minimaal 56,7 dm³/s leveren in plaats van de volle 81 dm³/s.
Daar staat wel een voorwaarde tegenover: elk verblijfsgebied moet op enig moment de volledige benodigde capaciteit kunnen krijgen. De installatie moet dus regelbaar zijn, zodat de beschikbare capaciteit naar de ruimte kan die haar op dat moment nodig heeft.
De eisen voor utiliteitsbouw
Bij utiliteitsfuncties is de eis niet oppervlaktegebonden maar persoonsgebonden. De benodigde capaciteit wordt bepaald door het maximale aantal personen dat in een verblijfsruimte verblijft, en varieert afhankelijk van de gebruiksfunctie tussen ongeveer 4 en 12 dm³/s per persoon.
Dat maakt het bezettingsprofiel bepalend voor de uitkomst. Een kantoorruimte die als flexplek wordt ingericht kan een andere eis krijgen dan dezelfde ruimte met vaste werkplekken. Het is daarom zaak het aantal personen per ruimte vooraf vast te leggen en te onderbouwen.
Systeem C of systeem D
Bij nieuwbouw is mechanische ventilatie in de praktijk onvermijdelijk. Twee varianten zijn gangbaar.
Systeem C heeft natuurlijke toevoer via gevelroosters en mechanische afvoer uit keuken, badkamer en toilet. Het is eenvoudig, goedkoper en vraagt weinig kanaalruimte. Nadeel is dat de toevoerlucht de buitentemperatuur heeft, wat in de winter tot tochtklachten kan leiden, en dat er geen warmte wordt teruggewonnen.
Systeem D is gebalanceerd: toevoer en afvoer zijn beide mechanisch, met warmteterugwinning uit de afgevoerde lucht. Het presteert beter op energie en comfort, maar vraagt kanalen door het hele gebouw en dus vroege afstemming met de architect over schachten en plafondhoogtes.
De keuze werkt door in de energieprestatie van het gebouw, en is daarmee onderdeel van het bredere installatieontwerp.
Waar het in de praktijk misgaat
- Onbalans tussen toevoer en afvoer. De som van de afvoer moet aansluiten op de toevoer, met overstroomvoorzieningen tussen ruimten, bijvoorbeeld spleten onder deuren. Wordt dat niet uitgewerkt, dan ontstaan tocht, geluid en ruimten die in de praktijk nauwelijks geventileerd worden.
- Te weinig schachtruimte. Kanalen voor systeem D vragen aanzienlijk meer ruimte dan vaak wordt gereserveerd. Blijkt dat pas laat, dan gaat het ten koste van plafondhoogte of leidt het tot bochtenwerk dat drukverlies en geluid verhoogt.
- Nieuwbouweisen toepassen op bestaande bouw, of andersom. Het Bbl kent verschillende eisen en verschillende normen voor beide situaties. Bij een verbouwing is per ruimte bepalend of die nieuw is of bestaand.
- Roosters kiezen zonder capaciteitscontrole. De benodigde toevoercapaciteit vertaalt zich naar een concrete lengte gevelrooster van een specifiek type. Wordt dat niet nagerekend, dan past het rooster niet in het kozijn of haalt het de capaciteit niet.
- Afstand tussen uitmonding en instroomopening. NEN 1087 stelt eisen aan de minimale afstand tussen de uitmonding van afvoerlucht of rookgas en een instroomopening, zodat afgevoerde lucht niet onverdund weer wordt aangezogen.
Normen en methodiek
Ventilatieberekeningen voor nieuwbouw worden uitgevoerd conform NEN 1087, voor bestaande bouw conform NEN 8087. De eisen zelf staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving, afdeling luchtverversing.
Normen
NEN 1087 · NEN 8087 · Bbl
Veelgestelde vragen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden aangetoond dat de luchtverversing voldoet aan het Bbl. In de praktijk betekent dat een ventilatieberekening conform NEN 1087. Ook bij verbouwingen waarbij nieuwe verblijfsruimten ontstaan wordt die berekening gevraagd.
Dan lichten wij toe welke aanpassing nodig is om wel te voldoen. Vaak gaat het om een langer of ander type gevelrooster, een hogere ventilatorcapaciteit of een aanpassing in de overstroomvoorzieningen. Dat is doorgaans op te lossen zonder het bouwkundig ontwerp te wijzigen.
Plattegronden per bouwlaag met ruimtebenamingen en maatvoering, en de gebruiksfunctie van het gebouw. Bij utiliteit ook het beoogde aantal personen per ruimte. Is er al een keuze gemaakt voor een ventilatiesysteem of een roostertype, dan nemen wij die mee.
Voor bestaande bouw gelden lagere eisen, bepaald volgens NEN 8087. Wordt er verbouwd en ontstaan er nieuwe verblijfsruimten, dan gelden voor die ruimten wel de nieuwbouweisen. Per ruimte is dus bepalend of die nieuw is of bestaand.